Erasmus Universiteit Rotterdam [ Erasmus University home page | Dept. of Philosophy home page ]
 
 
 

De bron
 

Gijs van Oenen
 
 
 

Zoals De Broncode van Dan Brown nog maar eens duidelijk maakte, hebben we met een ‘bron’ iets belangrijks, gevaarlijks en zelfs explosiefs in handen. Een bron is een opslagplaats van kennis, een steen der wijzen, die we aanspreken wanneer we met onze dagelijks voorhanden kennis niet uitkomen. Zo gaat het ook in het bekende spelprogramma Twee voor Twaalf: wat we niet weten, dat ‘zoeken we op!’. Maar wat ‘zegt’ een bron eigenlijk?

In Twee voor Twaalf is dat duidelijk. De ‘goede’ antwoorden worden geput uit een beperkt aantal bronnen, van feitelijke aard: encyclopedieën, jaarboeken, almanaks en dergelijke. In de echte wereld zijn bronnen heel wat weerbarstiger. Hun informatie is gebrekkig, verouderd, bevooroordeeld, of subjectief. Daarom is, in journalistiek en wetenschap, zorgvuldige omgang met bronnen essentieel. Het beste voorbeeld van een goede bron waarmee zorgvuldig werd omgegaan is Mark Felt, voormalig FBI-topman, pas na dertig jaar onthuld als ‘Deep Throat’ uit het Watergate-schandaal.

In mijn vorige column schreef ik over de bronnen die kroonprins Willem-Alexander en EUR-rector Lamberts aanboorden. Minder wereldschokkend dan Watergate, allicht, maar waar het mij hier om gaat is de betrouwbaarheid van de bron. De bron Felt was geheim, maar volstrekt betrouwbaar. De bron van W.-A. was ‘openbaar’, maar volstrekt onbetrouwbaar – Videla over Videla, ofwel: ‘wij van WC-eend adviseren: WC-eend’. De bron van Lamberts was open, maar sterk omstreden, zowel methodologisch als inhoudelijk.

De conclusies van Lamberts bron Richard Flynn, in het British Journal of Psychology, berustten niet op eigen onderzoek, maar vloeiden voort uit een aanvechtbare selectie en interpretatie van onderzoek van anderen. ‘Meta-analysis is not a substitute for properly designed research, and sex differences in average IQ, if they exist, are too small to be interesting’, schreef Steve Blinkhorn in een vernietigende kritiek in het blad Nature. Verder had Flynn zijn artikel al ‘gelekt’ naar de populaire pers, voordat vakgenoten er in de wetenschappelijke literatuur kennis van hadden kunnen nemen. Mede op die grond rechtvaardigde Nature ook zijn snelle ‘tegenaanval’: ‘Supposed sex differences in IQ attract wide attention and are likely to be widely cited’, waarschuwde de hoofdredactie. En gelijk kreeg ze.

En tenslotte: al zouden we een bron der wijzen vinden waar het gaat om een biologisch substraat van intelligentie, dan nog blijft de vraag: wat zegt dat? Zijn de beste artsen per se de meest intelligente artsen? Juristen? Journalisten? Voor die stelling zou ik weleens een betrouwbare bron willen zien.
 
 
 

Deze tekst verscheen als column in Erasmus Magazine van 15 december 2005


U kunt ook: